Bij het onderwijs over het formele burgerschap staat de vraag centraal hoe burgers hun verhouding met de overheid vanuit de islam zo goed mogelijk kunnen inrichten.
Tijdens een van de lessen wordt het uitgangspunt van het formele burgerschap volgens de islam belicht. Wie moslim is in een minderheidsland heeft door het aanvragen van een visum of een verblijfsvergunning, dan wel het bezitten van de nationaliteit een veiligheidsverdrag, een anan, gesloten met de overheid. In ruil voor de bescherming die de gelovigen van de staat genieten, waaronder in ieder geval hun godsdienstvrijheid, zijn zij de overheid respect verschuldigd, dienen zij de wetten getrouw uit te voeren en dienen zij zich in te spannen om deel uit te maken van de samenleving.
Tijdens de bijeenkomsten over het belang van democratie en rechtsstaat wordt aangesloten bij de noties sjoeraa (overleg) en ihtiraam (respect voor wetten en autoriteiten). Het functioneren van de parlementaire democratie wordt uitgelegd aan de hand van islamitische noties als de noodzaak om goed om te gaan met verschillen, de ambitie om door discussie van elkaar te leren en het belang van het dragen van verantwoordelijkheid.
In het onderwijs zal worden stilgestaan bij het belang van vrede en veiligheid. Moslims streven naar vreedzame verhoudingen en wijzen geweld, anders dan bij wijze van zelfverdediging af. Islam is de godsdienst van vrede. Daarom zetten zij in op een vredige en veilige samenleving, zowel nationaal als internationaal. Het geweldsmonopolie berust bij de overheid. Moslims onderschrijven het verbod op agressie zoals opgenomen in het Handvest van de Verenigde Naties. Zelfbeheersing en conflicthantering zijn belangrijke waarden.
De islam geldt als een belangrijke bron van grond- en mensenrechten. Vertegenwoordigers van islamitische landen speelden bovendien een belangrijke rol bij het opstellen van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM). In het onderwijs zal dan ook veel aandacht worden besteed aan het belang van grond- en mensenrechten. Daarbij komt de vraag aan de orde hoe moslims eraan kunnen bijdragen dat anderen de bescherming van die rechten zoveel mogelijk kunnen genieten overeenkomstig de doelstelling van de UVRM.
Het Nederlandse staatsmodel is gebaseerd op de verworvenheden van de Verlichting. Die maakte een einde aan de machtspositie van de kerk en de ongecontroleerde uitoefening van macht door de overheid. Er werd een scheiding tussen kerk en staat ingevoerd, die de wederzijde bemoeienis van beiden beëindigde: het is de kerk niet langer toegestaan de uitoefening van het overheidsgezag te beïnvloeden en de staat onthoudt zich van inmenging in religieuze aangelegenheden. De inrichting van de staat werd gebaseerd op de rede en het menselijk verstand en niet langer op traditie en (bij-)geloof. Veel van de Verlichtingsidealen komen uit de islam. Dat geldt bij voorbeeld voor het concept van de menselijke rede, dat is ontwikkeld door Ibn Rushd. Ibn Khaldun wees op het belang van kritisch denken: alle kennis moet met behulp van nieuwe informatie kritisch tegen het licht worden gehouden. Dat was in zijn ogen de beste remedie tegen het gedachteloos doorgeven van geaccepteerde kennis en tegen vooringenomenheid. Het Verlichtingsdenken en de islamitische wortels daarvan zullen worden belicht.
De Europese en Nederlandse samenleving zijn schatplichtig aan de islam: veel wetenschappelijke kennis op het gebied van de geneeskunde, astronomie, en natuurkunde, maar ook de filosofie is vanuit de islam tot ons gekomen. Dit gebeurde vooral via Andalusië dat een toonvoorbeeld was van religieuze tolerantie. De jonge Nederlandse Republiek slaagde er in de beginperiode in om de zojuist verworven onafhankelijkheid te bewaren door de steun van de Ottomaanse sultan en de sultan van Marrakesh.
Nederland heeft te maken met een groeiend aantal migranten, waaronder asielzoekers die huis en haard hebben moeten ontvluchten. Het kost steeds meer moeite om de migranten op te vangen en te huisvesten wegens een gebrek aan capaciteit, woonruimte en lokaal draagvlak. In de les zal worden ingegaan op de toelating en opvang van migranten in het licht van regels, normen en waarden. Uitgangspunt daarbij zijn de vereisten ten aanzien van gastvrijheid en asiel die worden gesteld door de islam.
Nederland en de internationale gemeenschap staan voor rechtvaardigheid. In de lessen zal worden ingegaan op de manier waarop die rechtvaardigheid wordt ingevuld. Op internationaal niveau is daarbij een belangrijke rol weggelegd voor internationale tribunalen en mensenrechteninstanties, binnen Nederland ligt het zwaartepunt bij de rechterlijke organisatie en instanties als de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme en het College voor de Rechten van de Mens. In het onderwijs zal worden ingegaan op de taken en werkwijze van deze instanties en de vraag worden beantwoord in hoeverre zij rechtvaardigheid, ook in islamitische zin, bevorderen. De leerlingen leren zelf hoe zij het beste kunnen omgaan met discriminatie en racisme en negatieve berichtgeving. Daarbij wordt uitgegaan van alledaags antiracisme, dat wil zeggen de strategieën en tactieken die minderheidsgroepen over de hele wereld hebben ontwikkeld om zich tegen racisme teweer te stellen.